Om even over zeven (!) startte onze bijna complete groep vanaf de parkeerplaats ‘Steile Oever’, aan de Hammerweg. De beperking tot 15 deelnemers bleek al gauw praktisch noodzakelijk: we mochten onder de leiding van Arend Spijker ook langs trajecten waar je op eigen houtje niet mag komen en waar je de boel dus niet/zo weinig mogelijk moet verstoren. We hadden er mooi weer bij en tegen 11 uur kregen we het zelfs zomers warm.
Met de hulp van Merlin’s vogelapp (met dank aan Klaas Oordt) en met een aantal gespitste oren en oplettende ogen, werden zo’n 36 vogelsoorten gesignaleerd. De meeste daarvan kom je gelukkig nog regelmatig tegen, maar de zwarte mees en de wielewaal hoor je niet zo vaak en dat geldt ook voor de bonte vliegenvanger, de kuifmees, de roek, de gekraagde roodstaart, de sijs en de buidelmees. Ook de dodaars krijgt zo meteen een aparte vermelding, net als, verderop, de oeverzwaluw.
Onderweg naar het ven, hielden we stil bij het monument voor het beruchte strafkamp Erika. Elk jaar worden hier op 4 mei de gevallenen herdacht. Het gebied van de Besthemerberg (ontstaan in de voorlaatste ijstijd) is in de eerste helft van de vorige eeuw het toneel geweest van menselijke activiteiten, die elkaar afwisselden in een bijna bizarre volgorde: de baron van Pallandt stelde het beschikbaar voor de padvinderij en voor de internationale bijeenkomsten (de ‘Sterkampen’) van de theosofische beweging, waar de filosoof Krishnamurti sprak. Vanaf 1941 hebben de Duitsers er bovengenoemd kamp ingericht. Op diverse plekken is die zwarte bladzijde gemarkeerd. (‘Schuldig bos’, waar rond de 200 mensen omkwamen.) Al spoedig na hun vertrek werd dit terrein een vakantieoord, waar ook het Bostheater werd gebouwd, toen het grootste openluchttheater van Nederland. (Het heet sinds enkele jaren Camping Ommerland, 5 sterren.)
We signaleerden vogels en leerden te letten op sporen van bosbewoners op de grond (zie verderop). We stonden wat langer stil bij een ‘hoop’ van bosmieren en luisterden geboeid en met bewondering naar de verbluffende staaltjes van hun samenwerking en organisatie. “Ga naar de mieren en word wijs!” (Zegt de Bijbel in Spreuken 6 : 6.) Er is gelukkig sprake van een voorzichtig herstel van hun populatie.

bij de vennen
We maakten een lus rond het Zeesser Ven. Daar hoorden we en zagen we de spectaculaire balts van de dodaars – de kleinste soort van de familie van de futen. Er waren ook andere watervogels, maar dit was een prachtige bonus. Vlak daarbij, bewonderden we een hele kolonie van enkele tientallen valkuiltjes van (de larven van) mierenleeuwen. Zij maakten collectief gebruik van de overkapping door de stronk van een omgevallen boom, waaronder prachtig droogblijvend zand ruimte bood aan een compleet ‘dorp’. De larve van de netvleugelige mierenleeuw weet op een slimme manier – door ze met zandkorrels te ‘beschieten’ - mieren en andere kleine bodembeestjes onder in zijn kuil te laten belanden, waarna ze worden afgemaakt en verorberd. Aan deze predatie dankt (ook) de volwassen libelle-achtige haar geduchte naam.

blauwe bosbes in bloei
We leerden en passant het verschil tussen de rode vossenbessen en de blauwe bosbes en kwamen wat verderop ook de Amerikaanse bosbes nog tegen. Arend vertelde over de geschiedenis van het ven en over het ontstaan van veen (wat versta je onder laag- resp. hoogveen en wat is eigenlijk ‘trilveen’?). We bekeken de zeldzame lavendelheide en het een-arig wollegras. Te onderscheiden van het veenpluis, dat ook pluizig wit is, maar met meer pluizige bolletjes.

eenarig wollegras
Arend demonstreerde hoeveel water kan worden geabsorbeerd door veenmos – tot wel twintig keer zijn droge gewicht. Het is ecologisch heel belangrijk (Eén van de wel honderd soorten van de familie Sphagnum.) We bekeken ook het fraaie waterdrieblad. We liepen vervolgens langs het Dode Ven, waarvan de ondoorlaatbare bodemlaag (van ijzeroer en leem) bij een lofwaardige poging om de natuur te herstellen, helaas ‘lek’ werd gestoten - en sindsdien droog staat…

het ecologisch belangrijke veenmos
Een belangrijk onderdeel van onze waarnemingen, op allerlei plaatsen tijdens de hele route, was het stilstaan bij een flink aantal uitwerpselen, die opzettelijk werden achtergelaten op plekken waar ze moesten opvallen om de territoria te markeren van de dieren die ze daar ‘neerlegden’. Arend heeft er een neus voor of natuurlijk beter gezegd: hij herkent ze met het oog van een deskundige. (Hij noemde zichzelf met enige zelfspot een ‘keutoloog’. Wat ons betreft een geuzennaam.)

geen verse keutels met je blote handen
Vooral de marterachtigen kunnen er wat van. Aan de oever van de Regge lagen op een (door een behulpzame bever) om geknaagd stammetje liefst drie verschillende uitwerpselen. Die van de marterachtigen (inheems: bunzing, hermelijn, wezel, boommarter en steenmarter) zijn – vooral die van de eerste drie - opvallend ‘gedraaid’ en eindigend in een dunne punt. Zoals je kunt verwachten corresponderen die qua lengte en gewicht met hun resp. lichaamsgewicht. Uit de inhoud kun je hun menu aflezen. (Overigens: pak geen verse keutels in je blote handen! – dat kan besmetting opleveren.) We kwamen ook zo’n ‘signaalvlag’ van een vos tegen: niet ‘gedraaid’, wel eindigend in een punt. We zagen meerdere mestputjes van de das. Die vind je doorgaans aan de rand van z’n territorium. De familie das heeft niet alleen een opmerkelijk ingerichte (soms eeuwenoude) burcht, met diverse afdelingen en uitgangen, maar die wordt ook keurig schoon gehouden. Soms mag (in een rustig hoekje) een moervos daar per gratie (tijdelijk) haar nest hebben (en een das kan daar ook van profiteren), maar niet permanent, want een vos is nu eenmaal een ‘sloddervos’……
Met een boog waren we teruggelopen en de Hammerweg overgestoken, van het bosrijke natuurgebied dat wordt beheerd door Staatsbosbeheer, naar Landgoed Eerde, in beheer bij Natuurmonumenten - een boeiende mix van natuur en cultuur. Arend vertelde ons over de vorige eigenaar, de opmerkelijke baron van Pallandt, en diens kinderen, die veel hebben betekend voor het bewaard blijven van heel veel moois en waardevols in een uitgestrekt gebied aan de zuidkant van de Vecht dat in het Westen aan de Regge grenst.
We wandelden over de westelijke helft van het centrale gedeelte, langs de boerderijen met luiken in feodale kleuren. De ‘goa-stok’ van Arend wijst en beschermt naar de basterd-, of boshyacint. We zagen het salomonszegel’’ en bekeken en roken het ‘look zonder look’ (wel de geur, niet de bol van de ui). We liepen langs de akkers van de hoge es (1 mm/jaar!).
We mochten onder leiding van Arend vanaf Eerde een traject volgen door het bosje op de over van de Regge en verderop via de extensief begraasde graslanden, tot waar we uitkwamen bij Steile Oever. We zagen onderweg eerst onder meer een buitenverblijf van de familie Das, met de nodige sporen; we stonden stil bij ‘het leger’ van een ree (je herkent z’n lichaamsomvang), die kennelijk daar ook z’n gewei had ‘geveegd’ aan de soepele takken van het schuilboompje/de struik en die het had gemarkeerd als ‘zijn plek’. Het ree is een snoeper, die bijvoorbeeld ook de jonge spruiten van de hulst afknabbelt en zo een struik ‘bonsai-t’. Even verderop zagen we enkele ‘glijbanen’ (naar de Regge) van een bever, die ook verder z’n kenmerkende sporen had nagelaten: enkele bomen waren door z’n ‘beiteltanden’ geveld en eentje al duidelijk ‘onder tanden genomen’.
We bekeken nieuwsgierig een oude boom, die grotendeelsl hol was. Het binnenste gedeelte, het ‘kernhout’, dat altijd dode cellen heeft, was in dit geval niet door harsen geconserveerd, maar flink ‘uigehold’. Toch is de boom nog ‘springlevend’ te noemen, gelet op z’n kruin. De levende buitenlaag, het ‘spinthout’, functioneert nog uitstekend. Speciale aandacht kreeg ook even een ‘12apostelenboom’, opvallend resultaat van het laten samengroeien van twaalf bij elkaar geplante jonge (beuken)boompjes. Op zulke landgoederen werden graag bomen en struiken ge-show-d die je niet overal elders ook kon zien. Uit ‘Verweggistan’ of met een bijzondere vorm.
We doken voor de derde en op één na laatste keer onder prikkeldraad door. Geholpen door Arend met zijn fraaie ‘goa-stok’. Belangstellend gadegeslagen door nieuwsgierig jongvee. Een gezellig-vredig welkom op ons laatste traject, over het oeverland langs de Regge.

over het oevergrasland
Sinds deze rivier ook hier weer meandert, ontstaan er door oeverafslag steile wanden, waarin de oeverzwaluw graag nestelt - ieder jaar een nieuw nest. We zagen een flinke kolonie in actie, jagen op insecten en in- en uitvliegen. Eén van de prachtige resultaten van het herstel van haar natuurlijke loop. Ook de vroegere flora ontwikkelt zich weer, zoals de tijmereprijs.
Dichtbij de dode Reggearm van Steile Oever, staat een informatiebord dat aandacht vraagt voor het graf van Frits Herbert Jordens, rechtenstudent, 25 jaar. Hij was bevriend met de familie van Pallandt. Conform een wens die hij ooit had geuit, werd hij na de oorlog op deze stille plek in het Reggedal herbegraven. Je komt er via een smal paadje in het struikgewas. De Joodse beeldende kunstenaar Titus Leeser (hij woonde op het landgoed) ontwierp het eenvoudige, diep ontroerende grafmonument. Op de gedenkplaat tegen de keisteen staan zijn namen met de sprekende jaartallen. En de laatste regels van een sonnet van de Franse dichter Arthur Rimbaud. (Hij schreef die, diep onder de indruk van het zien van een jong gesneuvelde soldaat, in WO I.) Het is prachtig Frans. In (eigen) vertaling: ‘Hij ligt te slapen in de zon. Met de hand op zijn borst. Heel vredig. Aan de rechterkant twee rode gaten.’
Tijdens zijn verblijf op Eerde in 1942, hielp Frits, samen met een jonge medestudente, Anna Pont, Joodse kinderen aan een veilig heenkomen en vanaf zomer 1943 waren zij actief in het opvangen en laten terugkeren van geallieerde vliegers. Die route liep onder meer via Hasselt (Be), waar hij op 2 maart 1944 bij een vluchtpoging werd doodgeschoten. (Hij en Anna ontvingen op 2 september 2021 postuum de Yad Vashem onderscheiding.) We stonden er om de beurt bij stil – enkele dagen voor 4 mei.
Onder de indruk liepen we het laatste stukje naar de parkeerplaats. Het was 12.00 uur.
tekst en foto's: Gerard Geerds